Kon. Toespraken

 

Kersttoespraak 2007

In het duister van de tijden is een licht ontstoken, het licht van Gods liefde. De geboorte van het Kerstkind opent de weg naar een wereld waarin mensen in naastenliefde elkaar aanvaarden. Ieder tijdperk kent eigen uitdagingen en opgaven. Die vragen nieuwe inzichten en inzet voor goede verhoudingen tussen mensen.

In deze tijd wordt onze eigen veilige, vertrouwde en verdraagzame samenleving van dag tot dag op de proef gesteld. Gevoelens van onrust en onzekerheid voeren de boventoon. Het lijkt wel of wij ons bijna spreekwoordelijk zelfvertrouwen hebben verloren.

Gelukkig is hier in de loop der eeuwen veel tot stand gebracht. Het fundament van ons staatsbestel heeft vorm gekregen in democratie en is vastgelegd in recht. Onze democratische traditie houdt meer in dan alleen aanvaarding van de macht van de meerderheid; het gaat ook om respect voor minderheden. De geschiedenis heeft ons geleerd dat tolerantie een basis biedt om spanningen te boven te komen en conflicten te overwinnen. Díe kostbare verworvenheid maakt deel uit van ons culturele erfgoed en blijft een bron van kracht.

Vandaag zien we een neiging tegenstellingen juist te verscherpen. Grofheid in woord en daad tast de verdraagzaamheid aan. Discussies ontaarden in verharde verhoudingen. In zo’n sfeer worden mensen al snel als groep over één kam geschoren en worden vooroordelen als waarheid aangenomen. Daarmee erodeert de gemeenschapszin.

Naast gevaarlijk generaliseren is er nóg een ontwikkeling die onze maatschappelijke verbondenheid bedreigt. Individualisering die doorslaat naar puur egoïsme doet afbreuk aan het algemeen belang. Als we het zicht verliezen op wat ons allen tezamen aangaat, ondermijnen wij onze samenleving.

Een maatschappij die in zichzelf is gekeerd, sluit ook de ogen voor de wijdere wereld, ontloopt verantwoordelijkheid voor gerechtigheid en miskent de noodzaak tot solidariteit.

Spanningen en conflicten zullen zich altijd voordoen en kunnen dan ook niet worden ontkend. Maar in plaats van ze aan te wakkeren, moeten we zoeken naar wegen om ze te beheersen en op te lossen. Over en weer vraagt dat aandacht en begrip voor de angst en onvrede die bij andere maatschappelijke groeperingen kunnen leven. In wat een mens dierbaar is en heilig, ligt zijn grootste kwetsbaarheid. Voorkomen moet worden dat gekwetste gevoelens omslaan in wanhoop en agressie. Waar het op aan komt is dat grieven worden onderkend en ernstig genomen.

De ruimte die nodig is om nieuw vertrouwen op te bouwen begint met het aanvaarden van verscheidenheid. Die is nu eenmaal een gegeven. Van mensen kan niet worden verwacht dat zij allen hetzelfde denken, doen en geloven. Godsdiensten en politieke ideologieën krijgen met recht erkenning en vrijheid. Vereist is wèl dat allen zich houden aan de grenzen van de wet, hoe ze zelf ook in het leven staan. De beginselen die aan onze rechtsstaat ten grondslag liggen gelden overal en voor allen. Die universele waarden moeten dan ook algemeen worden gedragen en verwerkelijkt. Dat dit een langdurig en veeleisend proces is, ervaren we dagelijks.

Samenlevingsproblemen zijn niet op te lossen met simpele recepten voor een geïntegreerde maatschappij. In elk geval wordt een gemeenschappelijke inspanning gevraagd voor discipline in de omgang tussen mensen, het bijstellen van ongenuanceerde oordelen en het doorbreken van negativisme. Hoewel het niet altijd gemakkelijk is, kan weerstand toch overwonnen worden door toenadering te zoeken tot mensen uit andere tradities en overtuigingen. Dat vergt een instelling van luisteren en leren. Een dialoog wordt mogelijk als allen daadwerkelijk bereid zijn ook éigen zekerheden in de discussie te betrekken.

Sociale vaardigheden en medemenselijk gedrag kunnen door opvoeding en goede voorbeelden worden overgedragen. Wie van kinds af vertrouwen meekrijgt zal ook eerder wantrouwen kunnen overwinnen en gemakkelijker anderen respecteren en ontzien. In de dagelijkse omgang vormen het rekening houden met elkaar, het oog hebben voor wat een ander nodig heeft en het aandacht schenken aan mensen met problemen het cement van een leefbare gemeenschap. Door de betrokkenheid van allen kunnen wij kwetsbaarheid omzetten in kracht.

Aan gemeenschapszin bestaat vandaag meer dan ooit behoefte. Dat geldt ook voor de wereld om ons heen die zozeer roept om vrede en gerechtigheid.

"Gerechtigheid groeit waar vrede is, en wie vrede zaait, zal gerechtigheid oogsten." Dit woord uit de Bijbel is vandaag niet minder actueel dan twee duizend jaar geleden. Toen werd de boodschap van vrede voor alle mensen op aarde verkondigd. Ook nu vraagt dat de inzet van een ieder. De weg daartoe is die van de naastenliefde; dát is de opdracht van Kerstmis.

Ik wens u allen een gezegend Kerstfeest toe.

Toespraak Prins Constantijn op Europese Conferentie van de VNG, 29 november 2007

VNG-congres 'Equal Opportunities For All', Den Haag. De toespraak is gehouden in het Engels.

You will be spending these two days discussing the text of a possible Declaration of The Hague. Five years ago, another Declaration was adopted here in The Hague, which is why the organisers asked me to address this conference. The 2002 Declaration was the product of intense collaboration among over 700 experts and stakeholders from all over the world to map the great variety of issues related to migration and refugees. In 2002 the question before us was this: what use is a declaration if no action follows? So a foundation and a think tank were set up to develop ideas and concrete projects to provide new insights into this complex policy field, to engage new actors like business and large cities and to inform and support the global debate on migration, refugees and development.

This resulted, for example, in the multidisciplinary Big Cities initiative, which engages some 40 cities, with The Hague, Johannesburg, Los Angeles, Turin, Lyon and recently Copenhagen as leading actors. Some are present here today. Without going into detail about this project, all I will say is that it is an exciting attempt to exchange good practice between a selection of cities worldwide on dealing with the influx and residence of migrants, and to develop shared policy principles, which are broadly reflected in the draft declaration that is being drawn up today and tomorrow.

Why would a network organisation such as THP get involved with municipal government? For one, our board member Mayor Wim Deetman is a forceful advocate of the City and its specific responsibility towards all its inhabitants. He has demonstrated this in his own city of The Hague and, as is evident today, he actively promotes his ideas and actions abroad. But more importantly, the effects of globalisation are most evident in cities. Cities are becoming the laboratories for migration and integration policies, thus providing interesting insights into concrete migration-related issues and possible ways of dealing with them. Cities absorb the most migrants and need to deal with their integration into host communities. Here the difference is made between empowerment of people and their marginalisation. Here talent is developed or wasted. Here migration enriches or impoverishes society. Here the choice is made between dialogue and interaction or polarisation.

The big challenge lies in rapid demographic change – especially in Europe. The percentage of ethnic minority Dutch people in Rotterdam, for example, increased from 35.5% in 1995 to 45.7% in 2005. By January 2006, almost half of the residents in our largest cities, Amsterdam, Rotterdam, The Hague, and Utrecht, were of foreign origin. In the foreseeable future, first and second generation immigrants will most likely be in the majority there. By 2050 it can be expected that immigrants and their offspring will constitute almost one third of the total population, some 55 per cent of whom will be of non-western origin. This will affect the large cities more than other parts of the country – with a further concentration of problems in particular areas and neighbourhoods.

Figures from abroad are also eye-openers:

49 per cent of Toronto's population were born outside of Canada. Between 2001 and 2005, the Toronto area attracted an average of 107,000 international immigrants each year. In Europe, one out of four Londoners today is foreign-born. These are among the cities one finds on a world map[i] where Dubai (82% foreign-born!) or Tel Aviv (approximately 36%) could just as easily be mentioned.

Thus for anyone involved in policymaking in the field of migration, integration and participation, the city is an essentially important context to be aware of, to learn from and to engage in seeking sustainable solutions.

Allow me to use the rest of this presentation to elaborate on the draft declaration and share some insights from the Hague Process and particularly the Big Cities project. At the outset I want to underline that the challenges involved in migration and integration are manifold and complex. I take the perspective that this is a given, and will not dwell on it. Thus I do not want to belittle the problems, but I want to explore solutions and see how the engagement of migrants in our cities may be more successful for both the host communities and the migrants themselves; and possibly also for the countries of origin.

This conference is important as it attempts to find a shared language and pragmatic solutions to address common challenges across Europe. The draft declaration serves to capture this ambition, putting Active Citizenship at the centre. It arguably places a strong emphasis on the responsibilities of individuals, regardless of their nationality, origin or background. Responsibility for shaping one’s direct social environment, to engage and participate, to be involved. But I read this not as a call to off-load responsibility onto the migrant; I take this as a commitment of local government to enable all citizens to actively pursue their rights and obligations; to develop and exploit their talents and opportunities. In doing so local government has a facilitating role; as enabler of access to education and work and to public services, promoter of opportunities and as active broker of the interests of the stakeholders involved.

Let me briefly address some of the concepts that the Declaration advocates. I would like first to suggest that the Declaration contains 3 layers;

1) The overarching concept is the Active Citizen, which implies:

Ensuring equality of rights and obligations for all

2) Critical factors to enable active participation are:

Provision of access (to education, employment, public services)

Empowerment (in short: providing the tools)

3) Which in turn requires a diverse set of strategies involving:

Shared responsibility

Coordination and partnership

Removal of barriers to full participation

Appropriate financial and human resources at municipal level

Allow me to briefly explore these points.

1. The Active citizen in the inclusive City: Citizenship/ Rights and Obligations

The Declaration takes the position that all residents matter to the community and that they have rights and obligations. This implies a social contract between the government and the people active within the municipal boundaries, which sets out to enable active participation of all in this society. A number of cities across the globe have formalised such contracts and developed a long-term shared vision. Interesting examples include Johannesburg (South Africa) Montreal (Canada) and in Europe Barcelona (Spain), Birmingham (UK) and also The Hague (the Netherlands).[ii]

The critical exercise of defining rights and obligations within the urban context is still in its infancy. This is apparent in the emerging debates and exchanges around a notion of a "right to the city". Part of the answers may lie with the Human Rights framework, as its universality ensures a solid basis to define and shape an inclusive society and city respectful of cultural diversity but resolute in its opposition to absolute cultural relativism. Rather than definite answers, this framework can and should provide guidance in defining common space and rules, thus responding to the pressing issues which unfold in the city (i.e. effective access to primary education and health care, response to xenophobia, racial discrimination and violence, practices such as forced marriages or excision, exploitation).

2. Critical factors to enable active participation are access and empowerment

These two notions are key for a city as an engine for social dynamism, functioning as a social ladder – the image used by Mayor Deetman in our initiative. This is about ensuring access to public services and the ability to use them effectively in order to fully develop the existing human capital. Building on the preliminary results of our initiative I would like to emphasise the importance of education and work as key factors in facilitating participation and integration.

Access to education is instrumental in building and nurturing shared values, a culture of mutual respect and informed citizenship. A recent OECD report (2006) sheds some important light on the role of policy in the effectiveness of migrants in education. Those systems that invest early, actively address specific barriers to success, and manage to harness the intrinsic motivation of the migrant pupil have demonstrated the possibility of overcoming the structural disadvantage that migrants face. The report indicates that policy makes a difference and that high levels of immigration do not necessarily impair integration or lower overall performance of the educational system.

In the Netherlands we have seen the performance of immigrants in the education system gradually improve over the years, and the gap between minority and majority groups narrow. While this is encouraging, the difference in performance at all levels of education – primary, secondary, and higher education – is still too great, and this must therefore remain an area of constant attention.

Employment as a key driver
Work brings independence, and (possibly) self-esteem, and provides a context for integration. Achievement is the key to building successful migrant identities that comprise a positive mix of elements from the country of origin and residence. Easy aaccess to employment opportunities is a pivotal component for newcomers’ participation in host societies. (While unemployment generates economic insecurity and should be regarded as a fundamental obstacle to social inclusion.) However this positive relationship is dependent on the existence of capacity-building mechanisms, decent working conditions and a work environment open to diversity. Effective inclusion policies capture and explore the extent to which employment policy is interlocked with other dimensions, particularly housing, health and education.

These can only be achieved in active partnership with stakeholders; like the business community and healthcare and education professionals – and the migrants themselves. Which brings us to the third layer, which consists of the enabling factors for access and empowerment.

Shared responsibility

Coordination and partnership

Removal of barriers to full participation

Appropriate financial and human resources at municipal level

As I have touched on this already I would like to start with:

Shared responsibilities, coordination and partnerships

There are persisting gaps in what the various levels of the public sector can achieve or undertake. This calls for more support for neighbourhood processes and citizen-led initiatives. These initiatives bring tangible results and can often achieve greater sustainability than those initiated in a more top-down fashion by municipalities. In addition, the process is likely to reinforce ownership and participation which are critical success factors for an inclusive approach to citizenship. Along with other cities, the city of The Hague is taking a pioneering role in that field with its Citizenship Fund.[iii]

Beyond the involvement of citizens themselves, there is unexplored potential in concluding voluntary agreements with non-governmental and community organisations and the private sector. These partnerships allow public authorities to build on the capacity of community organisations as intermediaries and more largely on the available expertise of NGOs.

Removal of barriers to full participation

Accepting that migrants and refugees face specific challenges and addressing these is an absolute prerequisite for effective policymaking, but it requires political courage. These barriers are manifold. For newcomers they include discrimination, lack of experience in the host country, lack of effective networks and social capital, lack of recognition of qualifications and, obviously, linguistic skills.

I am particularly grateful that the declaration makes explicit mention of the role of migrant women as catalysts for integration (inclusion and participation); and the specific challenges that they face. Their role within the community cannot be underestimated; whilst the obstacles they face in accessing the labour market cannot be overemphasised, particularly in less skilled jobs.

Possible measures include efforts to gain a common understanding of the structural dimension of discrimination and of systemic barriers, training of city officials; cooperation with human rights and anti-discrimination institutions to promote local rights-based approaches; and promotion of diversity to foster engagement of all stakeholders concerned.

Furthermore, national and international platforms offer a series of opportunities for cities to compare, evaluate and improve their practices in countering racism and discrimination; to increase the visibility and transparency of their own initiatives vis-à-vis the city residents; and to strengthen existing ties and explore new solutions. One example is the UNESCO International Coalition of Cities against Racism and its European Action Plan.

Proactive measures are necessary to break down the barriers to effective equal opportunities in access to employment. This demands a commitment to addressing the protection and empowerment gaps for the most vulnerable; and to ensuring the exemplary role of the city government as employer, contracting authority and catalyst in launching debate, but also as a supporter of diversity practices by the private sector and other stakeholders. The city of Lyon, France took action with the signing of a national Charter for Diversity together with local businesses.

Examples of solutions at the local level include:

Securing internship opportunities for students with an immigrant background, thus taking action to ensure equal opportunities at an early stage. (Haagse Hogeschool / Businesses)

Developing job squads as an innovative outreach tool to break isolation in neighbourhoods with high unemployment rates. In the city of Rotterdam, specialised intervention teams visit low-income earners to help them to apply for jobs and fill out forms for additional welfare assistance.

Strengthening the capacities of training centres and other dedicated structures playing a pivotal role in the necessary acquisition or recognition of skills and credentials and offering an integrated pathway to the labour market (i.e. CBSI Language, Training and Integration Centre, Municipality of Copenhagen)

Finally, such proactive policymaking comes at a cost, for which sufficient financial resources must be found. Or actually it should be perceived as an investment, which should reap important returns in the future, through better integration, more socio-economic dynamism, and less pressure on support structures like social security and unemployment benefit – also in subsequent generations.

Being proactive also requires coordination between municipal, regional and national governments. The CEMR Declaration of Seville refers to this challenge. Some local governments have engaged in a variety of such modes of dialogue (memorandum of understanding, regular consultations). Key is to cooperate and pool resources in more systematic ways,[iv] whilst at the same time defining clear boundaries to the mandates of the different levels of government.

CONCLUSION

The points raised in the programme represent a formidable challenge. We can compliment the organisers on their courage in attempting to address these challenges. And in fact we/you have no choice. The very real problems related to migration will not go away if we close our eyes to the plight of migrants in our societies. Migrants will keep coming and we will come to depend on them. It is only commonsense to engage these people and to ensure that they can exploit their talents for their own benefit and that of our societies and economies.

But words are one thing and the challenge will be, beyond the vision and discourse, to implement this inclusive approach to active citizenship and effective empowerment of all city residents. Cities, regardless of their level of development, share an invariable potential to be forefront laboratories of social change. Let us explore and make use of this potential, with an ambitious view to highlighting avenues for the more extensive remodelling of our societies, to meet the challenges of the 21st century.

NOTES

[i]

Doc 2005 – George Washington University- Gum project

[ii] Johannesburg, South Africa: Human Development Strategy 2005http://www.joburg.org.za/city_vision/hr_strategy-05.pdf
Montreal, Canada: Charter of Rights and Responsibilities http://www2.ville.montreal.qc.ca/ocpm/pdf/references/chartes/charte1en.pdf
Barcelona, Spain: Local inclusion plan (Acord ciutada per una Barcelona Inclusiva): http://www.bcn.es/barcelonainclusiva/

Birmingham, UK Community Cohesion Strategy

http://64.233.183.104/search?q=cache:6u-PKeo5U0wJ:www.birmingham.gov.uk/ELibrary%3FE_LIBRARY_ID%3D558+community+cohesion+strategy+birmingham&hl=nl&ct=clnk&cd=1&gl=fr

[iii] THE CITIZENSHIP FUND INITIATIVE, CITY OF THE HAGUE, NETHERLANDS

Introduced in 2007, the Citizenship Fund makes one million euros available every year for citizens’ projects to improve quality of life in their neighbourhoods and/or to build bridges between population groups. There are some rules for selection:

The plan must be supported by at least 10 citizens (here understood as residents) who must be willing to carry out their plan themselves, if necessary with some professional support. Encounter, dialogue and preferably also active cooperation between different population groups should be a crucial aspect of the plan. For every ambitious and sustainable plan a maximum grant available of 25,000 euros is available.

Every year, an independent committee makes a selection of the best projects that have been submitted for a contribution from the Citizenship Fund. The people of The Hague vote to decide wihich of the nominated projects will be given the Citizenship Award. This makes the Citizenship Award into a people’s prize, a prize awarded by citizens to the project that in their opinion has contributed most to quality of life and to building bridges between population groups.

The first Citizenship Award was assigned to the Central Laak Neighbourhood Association, Laak being a multi-cultural blue-collar neighbourhood close to The Hague city centre. The Neighborhood Association and its partners, including schools, welfare organisations and the public library, organised a cultural week for all 3000 primary school children in the district.

For more information:

http://www.denhaag.nl ( Fonds Burgerschap)

[iv] Example of TORONTO

THE CANADA-ONTARIO-TORONTO MEMORANDUM OF UNDERSTANDING (MOU) ON IMMIGRATION AND SETTLEMENT

Preamble

The Canada-Ontario-Toronto Memorandum of Understanding (MOU) on Immigration and Settlement is an important provision under the Canada-Ontario Immigration Agreement for partnerships with municipal governments in Ontario on immigration matters. The MOU establishes a framework for the federal, provincial and municipal governments to discuss matters related to immigration and settlement in the City of Toronto. It focuses on improving outcomes for immigrants through several areas of interest to all three governments, including citizenship and civic engagement, and facilitating access to employment, services, and educational and training opportunities.

In the past five years, up to 50% of all immigrants to Canada have arrived in the Toronto area alone each year. The City of Toronto has developed expertise and community infrastructure to respond to immigrants’ integration needs, and plays a vital role in the development of settlement programs and services.

For more information:
http://www.cic.gc.ca/english/about/laws-policy/agreements/ontario/can-ont-toronto-mou.asp

Toespraak van de Prins van Oranje, 27 november 2007

Toespraak bij de Verkiezing van Overheidsmanager van het Jaar, Noordwijk

Dames en heren,

Vraagt u zich wel eens af waar uw professionele wortels liggen?

Vast niet. Daarom ben ik dat even voor u nagegaan.

De wortels van de moderne Nederlandse overheidsmanager liggen in het zompige veen van het elfde-eeuwse Hollandse landschap.

Uw verre voorgangers stonden aan het hoofd van groepjes boerenfamilies die na het jaar 1000 de kletsnatte Hollandse veengebieden introkken om een nieuw bestaan op te bouwen. Onder leiding van hun dorpshoofd bonden deze pioniers de strijd aan tegen het water. Ze groeven sloten voor de noodzakelijke afwatering en maakten samen het land bouwrijp. Het dorpshoofd – de schout – zorgde ervoor dat de openbare orde bewaard bleef en dat alles in het nieuwe dorp netjes reilde en zeilde.

Deze dorpelingen waren vrij; ze waren wel onderdanen, maar geen horigen van de Graaf van Holland. De oude feodale structuren werden dus losgelaten. En dat was in het Europa van die tijd iets unieks.

De historicus Jona Lendering schreef zelfs dat er "wereldgeschiedenis is geschreven in de wildernis tussen Rijnsaterwoude en Kudelstaart".

En in díe roemrijke traditie mag ú staan!

U begrijpt dat ik met veel plezier vanavond in uw midden ben. Niet alleen als geïnteresseerde in het functioneren van de Nederlandse overheid. Maar ook als iemand met een warm kloppend hart voor het management daarvan en natuurlijk in het bijzonder onze lange traditie in het watermanagement.

Dames en heren, u heeft als leidinggevende bij de overheid geen gemakkelijke baan.

In uw dagelijks werk lijkt u een beetje op een simultaanschaker. Spelend op verschillende borden.

Het ene moment zit u aan tafel met een lokale belangenvereniging. Het volgende moment met een lid van de Europese Commissie. Dan weer met een journalist. Dan weer met een collega van een andere overheid.

Sommige van die schaakpartijen gaan vlotjes. Andere zijn taai en slepend.

Soms is de aanval de beste verdediging. Op andere momenten is het beter de kat een beetje uit de boom te kijken. Aan u om voortdurend de beste strategie te bepalen.

U speelt in een bijzonder dynamische omgeving. Helemaal geen ‘gewijde stilte’. Geen aandachtig publiek dat muisstil uw verrichtingen volgt. Integendeel: iedereen praat er doorheen. Iedereen roept – gevraagd en ongevraagd – allerlei adviezen. Terwijl u nadenkt, piept de telefoon. De blackberry slaapt nooit. En ondertussen zijn ze nog aan het verbouwen ook.

Het kan dan ook bijna niet anders, of u bent in uw hart een idealist. Iemand die houdt van lastige vraagstukken. Iemand die telkens weer een gaatje ziet voor een oplossing. Iemand die maatschappelijke verantwoordelijkheid wil dragen in een dienende rol. Oók als het tegenzit.

En dat begrijp ik goed. Ik begrijp heel goed dat mensen bij de overheid willen werken. Waar anders zie je zoveel verschillende kanten van de samenleving? Waar anders ben je betrokken bij het afwegen van zoveel verschillende belangen? Waar anders staat zoveel op het spel: de toekomst van de mensen in dit land die allemaal veilig, welvarend en gezond willen leven?

Ik wil u vanavond graag laten weten dat ik trots ben op de Nederlandse overheidsdienst. Ik kom vaak in het buitenland, en praat met veel mensen. Onder andere in mijn werk als voorzitter van de Adviesgroep voor Water en Sanitatie van de Secretaris Generaal van de Verenigde Naties UNSGAB en als lid van het Internationaal Olympisch Comité. En dan merk ik dat er met respect en waardering over de Nederlandse overheidsdienst wordt gesproken. Onze overheidsdienst heeft een goede naam. Twee maanden geleden bijvoorbeeld publiceerde de OESO nog een rapport over ons land waarin we een ‘front runner’ worden genoemd in de strijd tegen de administratieve lasten.

Men ziet Nederland als een waardevolle en betrouwbare partner. Dat is van grote betekenis op het internationale speelveld. Het vergroot onze kansen, onze invloed. Het maakt dat we goed kunnen opereren in internationale verbanden en organisaties.

Maar een goede Nederlandse overheidsdienst is natuurlijk in de eerste plaats van belang voor de Nederlandse burger. Die heeft bijzonder hoge verwachtingen van u.

We weten allemaal dat er uitdagingen liggen bij het verder investeren in de kwaliteit van de publieke sector. Daar wordt nu hard aan gewerkt.

U kent ook de dilemma’s van uw ambt.

Mensen willen aan de ene kant beleid dat voorspelbaar is. Duidelijke regels. Gelijke monniken, gelijke kappen.

Maar aan de andere kant verlangt men ook maatwerk: beleid mag niet blind zijn voor de omstandigheden van het individu.

Mensen willen zekerheid en zo min mogelijk risico’s. Dat betekent: voorschriften, procedures, verantwoording, toezicht, controle.

Maar ze willen ook vrijheid, privacy en zoveel mogelijk eigen ruimte. En dan staan de regels die de één zo vurig bepleit, de ander juist in de weg.

En dit zijn nog slechts twee van de dilemma’s die uw dagelijkse bestaan zoveel kleur en dynamiek geven.

Als overheidsmanagers staat u er middenin. Midden in de dilemma’s en afwegingen. Als schakel tussen uw politieke opdrachtgevers en uw medewerkers moet u helpen ‘droom’ en ‘daad’ bij elkaar te brengen.

Het is goed dat er één keer per jaar een prijs wordt uitgereikt aan een persoon die zich bijzonder onderscheidt in dit mooie, moeilijke, maatschappelijk relevante vak. Dat onderstreept het belang van een goed presterende publieke dienst. Het is de tiende keer dat deze prijs wordt toegekend. Dat geeft deze avond nog extra glans.

De jury heeft het niet gemakkelijk. Want het gaat om méér dan goede resultaten. Uw uitdagingen lijken op die van de playing captain van een sportteam. U wilt dat uw mensen in hun samenspel kunnen schitteren. U wilt dat ze zich ontwikkelen. Dat er voldoende jonge aanwas is. Dat mensen hun ei kwijt kunnen in het team. Dat ze elkaar aanvullen en productief samenwerken. Dat ze kunnen beschikken over goede voorzieningen. Al die zorgen bepalen uw dagelijks werk. Op al die elementen let de jury.

We weten allemaal: in een competitie kan er maar één winnen. De jury heeft na rijp beraad een oordeel geveld. Dat zullen we straks horen.

Ik zie dat er tussen u grote verschillen zijn in aandachtsgebied. Maar er is ook iets wat u allemaal gemeen heeft. Alle genomineerden hebben op een of andere manier de pioniersgeest van die allereerste overheidsmanagers behouden. Vanavond proef ik opnieuw de spirit van uw verre voorgangers. Van de mensen die in de elfde eeuw aan het hoofd van een groepje boeren de woeste, waterige veengronden introkken om nieuw gebied te verkennen en in gebruik te nemen.

Nieuwe wegen zoeken. Onbekend terrein verkennen. Samen iets moois opbouwen in het algemeen belang. Dat is uw werk. Dat is uw ideaal. Dat is uw overtuiging. Dat maakt u bijzonder.

Ik wens alle genomineerden – en met u iedereen die zich voor de publieke dienst inzet - heel veel succes in de toekomst. We zijn trots op u.

Dank u wel.

Toespraak van Prinses Máxima op conferentie microfinanciering Moskou

ter gelegenheid van de conferentie microfinanciering "Microfinance in Russia: Building an All-Inclusive Financial System", Russian Microfinance Center, Moskou

Ladies and gentlemen,

It is a great pleasure for me to be able to address this special group of people today. I would like to thank my hosts the Russian Government, the Russian Microfinance Center and the National Partnership of Microfinance Market Stakeholders, for inviting me to share some thoughts with you as a member of the United Nations Advisors Group on Inclusive Financial Sectors.

Ladies and gentlemen, as an economist and former banker myself, I am convinced that a sound financial sector is an essential part of the development process. By now, research has convincingly shown that financial development and improving access to finance not only accelerates economic growth, but also reduces poverty and income inequality.

Access to a wide variety of financial services and products, such as loans, savings, insurance products and remittances can be a powerful tool to generate income, build capital and protect people against risk. However, world financial systems are not inclusive today: well over two billion people do not have access to basic financial services.

Having said that, I must stress that microfinance is not the only solution to the poverty problem. Nor is a small loan always the best way to help a person without resources. Savings, insurance, remittances, grants or other direct support are sometimes better solutions. This is important to remember in the determination of financial policies.

In Russia alone, 60 million people are underserved by the financial system. Nevertheless, the tremendous growth rate of the sector is impressive. The Russian microfinance market has doubled in size over the last year! This means that there is a lot of potential and thus a lot to be done by all parties. The efforts of the Russian government to enable this sector to grow is indeed laudable.

The UN Advisors to the Year of Microcredit recommended in 2005 that the UN should appoint a group of experts to see the work they had begun, through to completion. As a result, the UN Advisors Group on Inclusive Financial Sectors was established. This advisory group is formed by a broad international group of experts from the private and public sectors, practitioners, NGOs, donors and academia.

The key role of the Advisors Group is to advise and guide the UN and its member states on building financial sectors, that enable wide access to a diverse range of financial services. Our Advisors Group aims to support, not replace, existing initiatives. I am therefore inviting all organisations and government entities in Russia to work with us and share their concerns, experiences and solutions. In this field, as in many others, combining and coordinating our efforts is the key to increased efficiency…and that is one of our main tasks.

For me, it is reassuring to see that the Advisors Group, with its broad and diverse composition, did not waste a lot of time getting started. We quickly developed some plain and simple Key Messages for governments, regulators, development partners and the private sector. I’ll briefly take you through them now.

For Governments, we believe that the key role is to create a helpful policy environment to allow for the development of a financial system that enables all citizens to access the financial services they need. There are great examples of enabling governments providing the right environment and removing obstacles for private initiatives. However, governments should resist the temptation to become direct providers themselves.

For Regulators, we recommend that they establish an enabling environment with the appropriate regulatory framework where a diverse range of institutions can provide financial products and services and where technological innovations can be fostered. Regulators must keep pace with innovations in the microfinance industry, and sometimes, cutting red tape is the most useful thing to do. An all-inclusive financial sector, should be designed carefully so that it meets the expectations of both market players and their clients.

For public and private Development Partners, the key message is "do no harm." Their key role is to provide appropriate interventions without crowding out the local private sector. Donors and Development Agencies should find their niche in supporting technological development, or go to those remote areas where the private sector cannot go. Their participation should ensure that the financial sector becomes strong, competitive and sustainable. Capacity building is key!

And to the Private Sector we say: if we want to reach scale in a sustainable manner, we have to think out of the box about innovative partnerships and collaborations. I have seen many examples of innovative partnerships around the world. In India, banks and MFIs work together to deliver financial services to those in most need. In Brazil, we can see fruitful cooperation between banks and local retailers – such as pharmacies and lottery kiosks - to reach remote areas. In the same way, South African banks have partnered with supermarkets and mobile phone companies to facilitate financial transactions. The potential for mobile phones in particular has been seen already in places as diverse as the Philippines, European Union countries, Southeast Asia and Japan. One of my favourite examples comes from Mexico, which uses cement distributors as a point of access. Certainly, the possibilities are endless given the incredible creativity and imagination of those working on the ground to reach people whose only alternative is hiding their hard-earned cash under a mattress.

This means a wide variety of private sector participants should be engaged in building inclusive financial sectors. I feel that not only traditional providers of financial services, but also ICT providers, post offices and other retail companies can contribute more to improving access to financial services, working in cooperation with financial institutions.

As I mentioned earlier, it is crucial that regulators help, not hinder, these innovations in the sector. Laws and regulations should allow for original partnerships and unexpected models to grow.

One final key message is this: what is not measured cannot be managed. World Bank research suggests that financial sector deepening reduces poverty. That is good news, indeed very good news, but we can do more. We need in-depth financial data to determine the right interventions and policy choices. We need to compare impact over time and across the globe. With better data we can better prove our case so that businesses get involved, governments maintain a supportive role and funders invest strategically.

Ladies and gentlemen, on behalf of my fellow Advisors to the UN, I ask you, gathered here, to challenge yourselves to make a much larger dent in poverty and help reach the Millennium Development Goals that our countries committed to together.

Thank you very much and I wish you a very fruitful two days of discussion.

© RVD

Toespraak van Prinses Máxima, 24 september 2007

bij de presentatie van het WRR-rapport Identificatie met Nederland, Den Haag

Het thema identiteit houdt heel veel mensen in ons land sterk bezig. Niet alleen in de wetenschap en in politieke kringen, maar overal. Het raakt ons allemaal. Daarom is het goed dat de WRR dit onderwerp heeft uitgediept. Een ingewikkelde klus, want er zitten zo veel dimensies aan.

Zo’n zeven jaar geleden begon mijn zoektocht naar de Nederlandse identiteit. Daarbij werd ik geholpen door tal van lieve en wijze deskundigen. Ik had het voorrecht met veel mensen kennis te maken. Heel veel te zien, te horen en te proeven van Nederland.

Het was een prachtige en rijke ervaring waarvoor ik enorm dankbaar ben. Maar ‘de’ Nederlandse identiteit? Nee, die heb ik niet gevonden. Nederland is: grote ramen zonder gordijnen, zodat iedereen goed naar binnen kan kijken. Maar ook: hechten aan privacy en gezelligheid. Nederland is: één koekje bij de thee. Maar ook: enorme gastvrijheid en warmte. Nederland is: nuchterheid en beheersing. Pragmatisme. Maar ook: samen intense emoties beleven.

Nederland is veel te veelzijdig om in één cliché te vatten. ‘De’ Nederlander bestaat niet. Als troost kan ik u zeggen dat ‘de’ Argentijn ook niet bestaat. Ik vind het daarom heel interessant dat de titel van het rapport van de WRR niet is ‘De Nederlandse Identiteit’. Maar: ‘Identificatie met Nederland’. Dat laat ruimte voor ontwikkeling. En voor diversiteit.

Bij het lezen van het rapport moest ik terugdenken aan 30 maart 2001. De dag dat de verloving van mijn man en mij werd aangekondigd op de Nederlandse televisie. U kunt zich dat misschien nog herinneren. Ik in ieder geval heel goed.

Mijn schoonvader, Prins Claus, zei toen het volgende: "Eén vraag die heel moeilijk te beantwoorden is en die mij herhaaldelijk gesteld werd, is hoe het voelt Nederlander te zijn. Mijn antwoord is: ik weet niet hoe het is Nederlander te zijn. Ik heb verschillende loyaliteiten en ik ben wereldburger en Europeaan en Nederlander." Woorden die ik nooit ben vergeten. Om de identiteit en loyaliteit van een mens zijn geen hekken te plaatsen. Ik denk dat veel mensen het zo voelen.

Twee jaar geleden waren mijn man en ik op bezoek in Marokko. We hadden een groepje jonge Nederlanders meegenomen. De helft van hen had een Marokkaanse achtergrond. Zij waren onze gidsen en onze tolken. Ik herinner me een bezoek aan een Koran-school in Marrakesh. Voor ons een onbekend terrein. Maar zij maakten ons wegwijs in de ideeën en gebruiken. Moeiteloos vertaalden ze heen en weer tussen Marokkaans en Nederlands. Wat geweldig, om thuis te zijn in twee culturen en moeiteloos van de een naar de nader te kunnen springen. Bruggenbouwer te kunnen zijn. Ik was enorm trots op hen.

Een ander voorbeeld. Vorig jaar was ik vanuit mijn interesse te gast bij een aantal gesprekken van Pauline Meurs met studenten. Het ging over de ontwikkeling van hun eigen identiteit en wat het voor hen betekent Nederlander te zijn. Een van de studenten was Semra, een studente Rechten. Zij vertelde dat ze bij het slagen voor haar eindexamen haar schooltas had gehangen aan een mast met twee vlaggen: een Turkse en een Nederlandse. Een mooi beeld. Een bungelende schooltas. Twee feestelijk wapperende vlaggen. Wel één mast.

Het rapport van de WRR geeft veel aandacht aan functionele identificatie. Dat betekent heel simpel: elkaar leren begrijpen omdat je samen een belang deelt. Denk aan een sportclub. Of een bedrijf. Of een school. Of een buurt. Het goede daarvan is dat de nadruk niet ligt op de zichtbare verschillen tussen mensen. Maar op het gezamenlijke doel. En op ieders persoonlijke kwaliteiten. Zo kunnen vooroordelen wegsmelten. Samen spelen. Samen studeren. Samen werken. Dat geeft jonge mensen met verschillende achtergronden een gezamenlijk perspectief. Dat is enorm belangrijk in een wereld van open grenzen.

We denken nog teveel in scheidslijnen. Ook nieuwkomers doen dat. Soort bij soort. Maar Nederland is geen Artis. Juist verscheidenheid en vermenging geven ons kracht. Eerder heb ik eens het volgende voorbeeld gegeven. Ik was een tijdje geleden op werkbezoek in een supermarkt. De manager vertelde dat hij had geprobeerd de omzet te verhogen met een nieuw assortiment Marokkaanse producten. Dat lukte van geen kant. Tot een kassamedewerkster met een Marokkaanse achtergrond zich ermee bemoeide. Zij gaf het advies de producten veel lager in het schap te zetten. Toen vlogen ze de winkel uit. Wat was het probleem geweest? Heel eenvoudig. De Marokkaanse huivrouwen hadden de spullen wel willen kopen, maar ze konden er gewoon niet bij.

Daarom zeg ik ook als econoom: het is goed als je organisatie mensen in huis heeft die van elkaar verschillen. Diversiteit loont.

Dames en heren, volgens cijfers van de Verenigde Naties leven er op de wereld 175 miljoen mensen in een land waar ze niet zijn geboren. Ik ben een van die 175 miljoen.

Voor ons huis staat een paddestoel. Zo’n echte Hollandse ANWB-paddestoel. Die paddestoel geeft de coördinaten van mijn leven.

Buenos Aires.
New York.
Brussel.
Den Haag.
Wassenaar.

Ze staan er allemaal op. Met de juiste richting en de afstand in kilometers. Elke keer als ik weg ga of thuiskom, kom ik erlangs. Al die plaatsen en de mensen die erbij horen, maken deel uit van mijn leven. Ze horen bij mijn identiteit als Nederlandse. Ze zijn me dierbaar.

Ik hoop dat het rapport van de WRR aanleiding zal zijn tot een open discussie zonder generalisaties over het thema ‘identificatie met Nederland’.

Dat zal niet meevallen. We vervallen gemakkelijk in zwart-wit denken. Maar daarmee doen we onszelf en anderen te kort. Mensen hebben altijd méér dimensies. Mensen veranderen ook. Dat is wat mensen zo bijzonder maakt: het vermogen zich te ontwikkelen. Het is niet ‘of, of’. Maar ‘en, en’. Dat maakt de discussie over identiteit niet gemakkelijker. Maar wel veel interessanter.

Toespraak van Prinses Máxima, 22 juni 2007

bij het lustrumsymposium van de Prins Claus Leerstoel, Paleis Noordeinde te Den Haag

Your Majesty, Professor Fresco, Dear Chair holders, Ladies and gentlemen,

It is with great pleasure that I now open this symposium to celebrate the fifth chair holder of the Prince Claus Chair on Development and Equity, on behalf of its Curatorium. A very special welcome to prof. Louise Fresco, who will deliver the key note lecture, and to our five Chair Holders, professors Mansoob Murshed, Amina Mama, Gaspar Rivera-Salgado, Rema Hammami, and Nasira Jabeen. A very special word of thanks to Her Majesty, for her incredible hospitality. It is amazing to be able to celebrate this in your Palace and with your presence. Thank you!

Five years already, time flies. After the passing away of my father in law, Prince Claus, the idea of this Chair arose. Prince Claus was strongly committed to development and equity in North-South relations. Through his work, his travels and his contacts he gained a deep understanding of the opportunities for equitable development. But also a deep understanding of the obstacles to it. His views, and above all his attitude towards people in the developing world became a source of inspiration to many, and still is.

In commemoration and respect for his work, the Utrecht University and the Institute of Social Studies together shaped this chair. The Chair aims to stimulate research and teaching in development and equity by establishing a rotating professorship. The two participating institutions will alternately appoint an outstanding young academic from Africa, Asia, Latin America, the Caribbean or the Pacific to the Chair.

The Prince Claus Chair was launched in a special academic ceremony in the Dom Church in Utrecht on March 2003. In this same ceremony and in view of the 50th anniversary of ISS, Utrecht University awarded an honorary doctorate to the then President of the Inter-American Development Bank, dr. Enrique V. Iglesias. His work has always focused on the relation between economy and administration on one side and civil society on the other. A person Prins Claus was very fond of

From the very beginning, we have been very fortunate with excellent candidates. We started with dr. Mansoob Murshed, an economist from Bangladesh, who works in the field of trade and freedom as well as that of peace and conflict management. We then had the honour of having dr. Amina Mama, from Nigerian/South African background, who was appointed for her contribution to the academic field of African Culture and its relationship to development. In 2004-2005 we had dr. Gaspar Rivera-Salgado with us, a sociologist from Mexico, who had contributed already significantly to academic research on indigenous rights and migration, particularly in Latin America and the United States. Last year dr. Rema Hammami, from Palestinian background, was our Chairholder. She was appointed for her contribution to peace and co-existence in the Palestinian Territories. And this year we have the pleasure to have in our midst dr. Nasira Jabeen, from Pakistan, who is an expert on the possibilities and constraints of good governance as a concept in the developing world.

To all five we say ‘Thank you’, thank you for being such excellent representatives of the Prince Claus Chair in Development and Equity. You have been willing to leave your own country, your university, your family and friends to come to the Netherlands. You have engaged in education and research and you have participated in publications, lectures, seminars, etc. And you have also contributed to outreach activities. To take one example, dr. Rivera-Salgado was involved in a project on Human Rights and Migration, in which pupils from secondary schools studied the theme from different angles, and presented the results to experts and to each other at a concluding seminar in Utrecht.

Ladies and gentlemen, the variety in backgrounds and academic expertise reflects the complexity of development and equity. It also reflects the necessity of contributions from different disciplines to gain a more profound insight into ways and means through which development and equity can be encouraged. The Curatorium hopes that the activities of the Prince Claus Chair contribute to this goal.

Personally, I am delighted to be part of this process. To be able to give a platform to these talented people in Europe means more opportunity for us to learn from them and their ideas. I hope in consequence that our Chairholders will therefore become stronger voices in their regions of origin. As Prins Claus said in one of his 23 statements at the ISS ‘freedom of speech as an essential element in any form of democracy and therefore a prerequisite for true development’. With all my heart, I wish that we continue to support these academics as just one way for us to contribute to development in the strong belief that people develop themselves within their own cultural environment.

Kersttoespraak Koningin 2006

Kersttoespraak van Hare Majesteit de Koningin, 25 december 2006


In de duisternis van onze wereld is een licht opgegaan. Dat zien wij in de geboorte van het Kerstkind. God vervult daarin Zijn belofte aan de mensen. Hij doet Zijn woord gestand. In het Kerstfeest vieren we dat het woord van God doorklinkt in donkere tijden en ons wil verlichten als een lamp op onze levensweg. Elke dag ervaren wij de kracht van het woord.

In woorden worden mensen gesterkt en kunnen zij uiting geven aan wat hen bezielt. Dit lijkt vanzelfsprekend. Maar wanneer het vrije woord wordt ontnomen, beseffen wij hoeveel het ons waard is. "Vrij en onverveerd" luidde in de oorlog de zinspreuk. Woorden zijn een wapen tegen onderdrukking en tirannie. In verwoording van geestelijke en politieke vrijheid vinden mensen weerbaarheid. Aan de basis van elke democratie ligt dan ook de vrijheid van meningsuiting als een ieders goed recht. Dit betekent ruimte voor een eigen geluid waarmee uiting mag worden gegeven aan traditie en identiteit, aan opvattingen, overtuiging en geloof. In de loop der tijden is die vrijheid bevochten. In onze dagen krijgen burgers daarvoor veel ruimte -en dat moet ook. Maar wie van die ruimte gebruik maakt, moet wèl beseffen dat anderen dezelfde rechten hebben. Elk woord moet bedacht zijn op een wederwoord. De begrenzing ligt besloten in de wet die regels geeft, gegrond op gelijkwaardigheid en rechten van een ieder.

Naast de algemeen geldende grens die in de wet is vastgelegd, zijn er ook normen van moraal en beschaving. Ze zijn het fundament van een samenleving die uitgaat van eerbied voor de medemens. Een recht om te beledigen bestaat dan ook niet. Evenmin geeft godsdienstvrijheid een vrijbrief om te kwetsen of op te roepen tot haat.

Respect begint met zélfrespect, een geloof in eigenwaarde. Dat wordt vertaald in de omgang met anderen, in gedrag en dialoog. Daarbij moeten wij ons bewust blijven van gevoeligheden die het diepste in mensen kunnen raken. Elkaar daarin ontzien is niet laf maar een teken van beschaving. Vrijheid blijheid geldt niet onbegrensd. Wie anderen beschimpt verliest zelf geloofwaardigheid; het onbeheerste woord schiet zijn doel voorbij. Om te kunnen omgaan met de vrijheid van het woord is respect onontbeerlijk. De grondslag ligt in de oude wijsheid: "Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet!"

Behandel een ander zoals u zélf bejegend wilt worden! In de praktijk van het leven is dit geen eenvoudige opgave. Wie vanuit een eigen visie de dialoog aangaat, moet beseffen dat anderen hún opvattingen hebben. Botsende meningen roepen spanningen op, maar een open discussie en een vrij debat mogen we niet uit de weg gaan. Als reacties heftig zijn, is het soms moeilijk open te blijven staan voor elkaars argumenten en te voorkomen dat het gesprek ontaardt in monologen. Niemand kan nu eenmaal zijn eigen overtuiging opleggen aan een ander. Tolerantie begint met de erkenning dat iemands waarheid nooit voor iedereen dé waarheid kan zijn. Iedere gemeenschap kent onenigheid en zal ook regels moeten stellen om woordenwisseling in de hand te houden. Democratie vergt een cultuur die ruimte biedt voor vrije meningsuiting èn redetwisten. Maar om spanningen te beheersen is inspanning vereist en bereidheid met elkaars opvattingen rekening te houden. Het is niet nodig beweegredenen van een ander te begrijpen om toch begrip op te brengen voor de ernst waarmee gevoelens worden beleefd. Door de eeuwen heen is ons land er gelukkig meestal in geslaagd met tegenstellingen zo om te gaan dat de lieve vrede werd bewaard.

Die vrede wordt gewaarborgd in het recht en de moraal, die de grondslag vormen voor vrijheid en integriteit in onze samenleving. Naast dit publieke domein is er een privé domein. Daarin is ruimte voor mensen om hun persoonlijk leven vorm te geven in eigen identiteit, vrienden en een vertrouwde omgeving. Velen voelen zich daarenboven betrokken bij wat hun heilig is: geloof of levensbeschouwing die het alledaagse overstijgt. In dit innerlijk domein, dat kostbaar is en kwetsbaar, moeten wij elkaar over en weer in waarde laten. Dat betekent niet een vrijblijvend gedogen van andersdenkenden of onverschillig langs elkaar heen leven, maar het aanvaarden van ieder mens, ook al denkt die anders. Wat telkens opnieuw van ons wordt gevraagd is een oprechte zoektocht naar een open en verdraagzame samenleving waarin de vrede en het vrije woord elkaar vinden.

Aan het begin van geloof staat het woord. In het Kerstfeest ervaren mensen dit als een blijde boodschap: het woord wordt waarheid. Hoe dat ook beleefd mag worden, waar het op aan komt is in onze gedachten en daden wéérklank te geven aan dat woord. Moge de bezinning van Kerstmis ons hierin bezielen.

Ik wens u allen gezegende Kerstdagen toe.

25 december 2006

Inleiding van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima bij de opening van het Huis voor de Culturele Dialoog, 24 november 2006

Rotterdam

Gesproken woord geldt

Burgemeester, mevrouw Van der Laan, dames en heren,

Vanavond openen we het Huis voor de Culturele Dialoog. Ik ben blij met de gelegenheid die u mij geeft om iets te zeggen.

Met mijn man heb ik een aantal weken geleden een bezoek gebracht aan Australië en Nieuw-Zeeland.

Een geweldige reis. Heel bijzonder vond ik de ontmoeting met de Nederlandse gemeenschap down under.

In Auckland (Nieuw-Zeeland) bezochten we een verzorgingstehuis voor oudere Nederlandse emigranten. Helemaal in Nederlandse stijl. Huisjes met pannendaken. Hollandse kleedjes op tafel. En in de tuin een palmboom, geplant in een melkbus.

Mensen vertelden me hoe het was om in een nieuw land een nieuw leven op te bouwen. Veel van hen waren in de jaren vijftig en zestig uit Nederland vertrokken, op zoek naar een betere toekomst. Dat was niet altijd gemakkelijk geweest. Sommigen misten de ‘Hollandse gezelligheid’. Maar de meesten waren van hun nieuwe vaderland gaan houden en waren trots op wat ze hadden bereikt.

Je culturele achtergrond neem je je leven lang mee. Als een kostbare kern die niemand je kan afnemen. Maar dat hoeft succes in een ander land beslist niet in de weg te staan!

Dames en heren, culturen kennen geen grenzen. Ze kunnen in elkaar overlopen. Ze kunnen zich vermengen. Ze kunnen elkaar versterken.

In het Huis voor de Culturele Dialoog dat we vandaag openen, vieren we onze Nederlandse culturele diversiteit.

Het Huis moet nog worden ingericht. Dat is spannend en leuk. Maar ook moeilijk.

Wordt het een gezellig dorpshuis waar iedereen makkelijk binnenloopt?... Of een keurige salon met een bordje "voeten vegen"?
Wordt het een huis voor praters en denkers?... Of voor doeners?
Wordt het een toonbeeld van goede smaak?... Of mag het Zigeunermeisje óók aan de muur hangen?

Of mag het allemaal? Maar dan liefst in verschillende kamers?

U gaat met dit soort vragen aan de slag. Hier in Rotterdam, maar ook in Amsterdam, Utrecht en Den Haag.

Natuurlijk kunt u daarbij gebruik maken van opgedane ervaringen. Van uzelf of van anderen.

Misschien mag ik u ook iets van mijn ervaringen meegeven.

Ten eerste: Samen praten is zilver. Samen dingen doen is goud.

Woorden vervliegen. Gedeelde ervaringen blijven.

Natuurlijk zijn dialoog en debat belangrijk. Maar mensen leren elkaar vaak pas echt kennen, als ze samen ergens aan hebben gewerkt. Als ze samen iets hebben gedaan.

Samen muziek maken. Samen een festival organiseren. Samen toneel spelen.

Een soap-opera in het buurthuis waarvoor mensen zelf de teksten, decors en kostuums maken, betekent misschien meer voor de culturele dialoog dan de prachtigste uitvoering van Carmen.

Velen van u zullen het in uw werk ervaren: activiteiten door mensen hebben meestal meer impact dan activiteiten voor mensen.

Ten tweede: laten we niet teveel denken in etnische scheidslijnen en in contrasten. Mensen zijn te veelzijdig om binnen strakke etnische doelgroepen te passen. We kunnen beter de nadruk leggen op wat mensen verbindt dan op wat ze van elkaar onderscheidt.

Het gaat niet om culturen naast elkaar. Maar om culturen met elkaar.

Een jaar geleden waren mijn man en ik op bezoek in Marokko. We hadden een groepje jonge Nederlanders meegenomen. De helft van hen had een Marokkaanse achtergrond. Zij waren onze gidsen en onze tolken. Ze maakten ons wegwijs in de ideeën, de gebruiken, de culturen van het land. Het was voor ons allemaal een fantastische ervaring. Ik was enorm trots op ze.

Wie thuis is in twee culturen, kan verbindingen leggen. Kan bruggen bouwen. Ik hoop dat het Huis voor de Culturele Dialoog mensen daartoe inspireert.

Nog een derde en laatste punt. Dit gaat allemaal niet vanzelf. Het kan alleen als we over onze vooroordelen heenstappen.

Halleh Ghorashi - hoogleraar aan de Vrije Universiteit – zegt dat de basisgedachte in Nederland is dat migranten afwijken van de norm.

Zij zegt: "zolang deze gedachte niet ter discussie wordt gesteld, zal het wij/zij denken in Nederland worden gevoed". Een groot gevaar is volgens haar dat de competenties van migranten niet worden herkend en erkend. Onze vooroordelen staan ons daarbij in de weg.

Ook nieuwkomers hebben soms moeite anderen te aanvaarden.

Met al die vooroordelen doen we onszelf ernstig tekort. Ze belemmeren onze vrijheid, onze mogelijkheden om iets nieuws te ervaren, iets nieuws te ontdekken.

Dames en heren, ik hoop dat het Huis voor de Culturele Dialoog een Huis vol ontdekkingen wordt.

Een Huis waarin denkers èn doeners de ruimte krijgen.

Een huis waarin niet alleen serieus wordt gepraat, maar waarin ook wordt gelachen, gespeeld en gedanst.

Want als mensen eenmaal samen dansen, komt het met de culturele dialoog meestal ook wel goed…

Ik wens alle medewerkers van het Huis in alle vier de grote steden heel veel succes!

Dank u wel.

Toespraak van H.K.H. Prinses Máxima, 5 september 2006

bij de start van het nieuwe studiejaar aan de Rijksuniversiteit Groningen, faculteit Bedrijfskunde

"Maak verschil"

Dames en heren,

Het is een eer om vandaag bij u te gast te zijn.
Bij u, hooggeleerde dames en heren,
en bij u die dat graag willen worden.

Een groot aantal van u begint vandaag aan uw studie Bedrijfskunde.
Een prachtig vak. Een vak met veel facetten.

Zoveel facetten, dat wanneer je 12 bedrijfskundigen naast elkaar zet, je soms 13 verschillende meningen hebt.

Niet voor niets is het thema van deze bijeenkomst: ‘verscheidenheid’.

Ik weet niet precies waar ik de uitnodiging aan te danken heb. Een wetenschapper ben ik niet. Misschien ben ik uitgenodigd omdat ik word gezien als deskundige op het gebied van culturele verscheidenheid.

En inderdaad kan ik niet ontkennen dat ik in dit veld een klein beetje ervaring heb…

Als introductie op het wetenschappelijke betoog van professor Jacobs wil ik graag enkele van die ervaringen met u delen.

Na mijn studie Economie in Buenos Aires, werkte ik een aantal jaren in New York, bij verschillende banken.

In een daarvan, behoorde ik tot een kleine minderheid. Ik was een van de twee latino’s. We waren omringd door wat in Amerika ‘WASP’s’ worden genoemd: White Anglo Saxon Protestants.

In mijn volgende baan was de situatie anders.
De groep latino’s die daar werkte was veel groter.
Er was veel meer diversiteit.

En dat maakte een groot verschil.
Een verschil in benadering en in onze positie.

Bij bank 1 waren we ‘de latino’s’. En werden we benaderd met de stereotypen die daar kennelijk bij passen: "latino’s zijn klein, druk, explosief, dansen de hele nacht de salsa en zijn altijd te laat."

Ik kan u verzekeren: als je zo wordt bekeken, wordt dat bijna een self fulfilling prophecy…

Bij bank 2 vormden we een veel grotere minderheidsgroep. We hadden ‘kritische massa’. En daarmee vielen de verschillen binnen onze groep sterker op. We werden veel meer als individuen gezien, met unieke eigenschappen. We kregen alle ruimte. En dat was zeker terug te zien in de performance van de bank.

Kleine minderheden in een organisatie lopen twee risico’s.

Het eerste is dat je je opsluit in de eigen veilige kring. Dat je je stevig vasthoudt aan de groepsidentiteit en helemaal gaat voldoen aan de cliché-beelden.
Dan ben je een ‘voorbeeld-latino’.
Of wat men ook wel noemt: een ‘token’.

Het tweede risico is dat je je juist helemaal aanpast aan de meerderheid.
Meer WASP doen dan de WASP’s.
Of bijvoorbeeld bij een minderheid van vrouwen: mannelijker doen dan de mannen zelf.

Beide zijn niet goed.
Niet voor jezelf. Niet voor de organisatie waar je werkt.

We denken nog zo vaak in vaste patronen.
Soort bij soort.

Ik werd in New York aangenomen mede om de vrouwelijke klanten te bedienen.

Wat bleek? Veel vrouwelijke klanten wilden juist graag een mannelijke bankier. En veel mannen willen juist een vrouw als bankier.

Een allochtoon kan de beste ideeën hebben voor een autochtone ondernemer. En andersom ook.
Jammer genoeg beseffen we dat vaak niet.

Organisaties met veel verschillende mensen zijn succesvoller, creatiever, innovatiever, effectiever en aantrekkelijker.
Professor Jacobs zal dat straks vast wetenschappelijk onderbouwen.

Weten we in Nederland al het talent dat we hebben wel te gebruiken?
Ik denk dat er nog veel winst is te halen.

Steeds meer vrouwen hebben een baan. Maar slechts weinigen halen de top.

Vrouwen zijn een uitzondering in de bovenste regionen van het bedrijfsleven en de wetenschap.
- Slechts één op de twintig hoogleraren en topmensen in het bedrijfsleven is vrouw.
- Slechts één op de vier hogere managers is vrouw.

Terwijl 56% van de afgestudeerden in het hoger onderwijs vrouw is.

Kortom: onderweg naar boven gaat er wat mis.

Voor vrouwen zou al veel gewonnen zijn met een verandering van cultuur. Bijvoorbeeld: in veel organisaties heerst een ‘aanwezigheidscultuur’.
Mensen worden beoordeeld op het aantal uren dat ze fysiek aanwezig zijn.

Maar het gaat toch niet om het aantal uren dat je achter je bureau zit?
Het gaat om bereikbaarheid en om resultaten!

Tegen parttime werken bestaan nog teveel vóóroordelen.
Parttimers met een uitdagende baan werken met passie. Ik hoor wel eens van ondernemers: ‘Ik betaal ze voor drie dagen, maar ze werken veel meer".

Overigens moeten vrouwen ook elkaar meer stimuleren.
Moeders hebben soms de neiging andere moeders met een carrière te veroordelen.
Een klein baantje voor een paar dagen mag wel, maar een serieuze carrière zal toch wel ten koste van de kinderen gaan.

Maar als iemand het moederschap weet te combineren met een verantwoordelijke functie, is dat toch geweldig?

Ook nieuwkomers dringen maar heel moeizaam door in hogere functies.
Daarmee doen we onszelf als samenleving enorm te kort.

Succesvolle bedrijven weerspiegelen de samenleving.
Ze maken verschil.

Ze bundelen het beste van mannen en vrouwen, nieuwkomers en autochtonen, jongeren en ouderen, van mensen met verschillende overtuigingen, voorkeuren en vaardigheden.

Want uit die ontmoeting – of moet ik zeggen: die clash – ontstaat creativiteit.

Een heel eenvoudig voorbeeld kwam ik laatst tegen tijdens een werkbezoek aan een supermarkt.

De manager probeerde zijn Marokkaanse klanten te bedienen met Marokkaanse producten.
Dat lukte niet erg.
Tot hij op advies van een caissière met een Marokkaanse achtergrond, de producten veel lager in de schappen zette. Wat was het probleem geweest? Heel simpel.
De artikelen waren voor de Marokkaanse vrouwen letterlijk onbereikbaar geweest.

Diversiteit is dus goed voor een bedrijf.
Maatschappelijk wenselijk. Economisch noodzakelijk.
Tot slot wil ik nog wat zeggen tegen de studenten die vandaag aan hun studie Bedrijfskunde beginnen.

Sluit jezelf niet in een hokje op. Stap over alle hekjes heen.
Wees niet bang voor nieuwe dingen. Blijf nieuwsgierig.
Blijf steeds vragen: ‘waarom, waarom, waarom?’
En neem geen genoegen met het antwoord: ‘dat doen we al jaren zo.’
Er is altijd een andere manier. En vaak een betere manier.

Dank u wel.

Make a Free Website with Yola.